/* */

 

19.02.2014 | ETCETERA | Tom Rummens

 

 

LENZ

 

Voor zijn nieuwste voorstelling baseert Piet Arfeuille zich op de onafgewerkte novelle Lenz van Georg Büchner. Het werd geen bewerking, al is Arfeuilles Lenz zowel thematisch als stilistisch duidelijk op Büchners koortsige tekst gebaseerd. Het levert een voorstelling op die mateloos fascinerend is, maar die tegelijk onaangenaam ondoorgrondelijk blijft.
Büchner stierf op drieëntwintigjarige leeftijd, en liet Lenz onafgewerkt achter. Dat lees je uiteraard. Het zijn fragmenten, eerder dan een afgewerkte tekst. Het hoofdpersonage Lenz is een dichter die de Sturm und Drang beleeft zoals die beleefd moet worden: voor de volle honderd procent en zonder compromissen. Niet alsof, maar omdat het leven er werkelijk van afhangt. De dichter heeft geen keuze. De wispelturigheid is de zijnstoestand die hem ongevraagd en onophoudelijk overvalt. Hij zoekt rust in de bergen, waar hij logeert bij een dominee. Maar de gedroomde rust vindt hij niet: de twijfel en het gevoel dat alles tekortschiet houdt onophoudelijk huis in zijn hoofd en in zijn leden.

 

Voor die zijnstoestand bedacht Arfeuille een onvergetelijke openingsscène. De berg waarop Lenz woont, wordt verbeeld door een hellend vlak van houten platen, doormidden gespleten als sloeg de bliksem er genadeloos in. Onderaan staat een miniatuurhuisje, een kleine haven van gezelligheid misschien, of toch tenminste een schuilplek die wat warmte biedt. Later in de voorstelling zal zelfs dat verdwijnen, maar ook nu het er staat is dit landschap een symbool voor leegte en kilheid: een onherbergzame vlakte is het, een plek waar je niet zou willen sterven. Met een oorverdovende soundscape en een reeks uitermate effectief gebruikte stroboscoopeffecten wordt deze leegte onverdroten binnengekeild in de vooralsnog nietsvermoedende hoofden van het publiek. Het samenspel van licht (Jan Maertens) en geluid (Raf Enckels) resulteert hier in een ronduit imponerende definitie van het Unheimliche. Een warmer welkom was niet ondenkbaar, maar de toon is wel gezet.

 

Nog niet voldoende, moet Arfeuille gedacht hebben, want vervolgens horen we nieuwsstemmen door de speakers ratelen. Ze schetsen een beeld van een wereld die dolgedraaid is. Het gaat over kippenfabrieken en de teloorgang van onze politieke idealen. Over het failliet van de gezondheidszorg en van ons pensioenstelsel, over het gat dat de financiële crisis heeft geslagen en over het feit dat onze staatsschuld te groot is om ooit op redelijke wijze afgelost te kunnen worden. Met andere woorden, het gaat over de toestand van onze wereld. Met een donkere bril bekeken, dat wel, maar ondubbelzinnig: onze wereld.

 

Vervolgens zien we Lenz. Acteur Thomas Janssens komt op, doet zijn kleren uit en beeldt een mens uit die worstelt met zichzelf en de elementen. De mens is een worm: naakt, kronkelend en kruipend, volstrekt hulpeloos overgeleverd aan krachten die hem constant te boven gaan. Het is een door en door pessimistisch mensbeeld, dat zeker, maar er valt wat voor te zeggen.
In wat volgt gaat Lenz verschillende dialogen aan met Oberlin, de dominee, afgewisseld met ijlende monologen, preken eigenlijk. Alles cirkelt rond de onmogelijkheid om werkelijk vooruitgang te boeken, alles resulteert in een uitzichtloos slachtofferschap. Het verliezen, of beter gezegd: het niet kunnen winnen van de vreselijke wereld om ons heen, staat centraal in
de hele voorstelling. Lenz wil heel graag vechten, hij wil springen, soms huppelt hij zelfs een beetje. Maar het helpt niet. De wereld slaat, maar zalft slechts sporadisch en in geen geval genoeg. Zelfs zelfmoord plegen vindt hij niet echt de moeite waard. Hoe uitzichtloos kan het leven zijn als zelfs een zelfgekozen dood geen betekenis meer heeft?

 

Janssens geeft gestalte aan een getormenteerde Lenz, die tegelijk jong en onbezonnen lijkt te zijn. Oud, of in ieder geval illusieloos van geest, maar met de goesting van een jong en dartel veulen. De acteerstijl van Janssens, waarbij alles uit het hoofd lijkt te komen en maar heel weinig uit het lichaam, laat staan uit de buik, doet aan dat personage eigenlijk te kort. Dat is spijtig: Lenz lijkt hier naar voren te komen als een personage dat weliswaar begrijpt dat hij in de rats zit, maar dat die miserie niet werkelijk doorvoelt of beleeft. Het maakt van Lenz een personage dat niet echt geloofwaardig overkomt. Dat is heel anders voor de veel kleinere rol die Jorre Vandenbussche speelt, de rol van Oberlin, de dominee, die veel evenwichtiger vorm krijgt bij Vandenbussche.

 

Maar Lenz lijdt vooral onder het gewicht van het teveel. De referenties die Arfeuille in deze tekst gestopt heeft lijken eindeloos en staan een helder verhaal in de weg. Hoe compact deze voorstelling ook lijkt te zijn, je loopt als toeschouwer hopeloos verloren in dit woud aan betekenissen, subteksten en verwijzingen. Helder is het allemaal niet, en dat gebrek aan helderheid creëert meer afstand dan goed is. Na het schitterende, kraakheldere openingsbeeld lijkt Lenz te verworden tot een al te gecondenseerd en mistig manifest: je zit erbij en kijkt ernaar, maar hebt niet echt het gevoel dat dit ook weleens over jezelf zou kunnen gaan. Het is de vraag of dat de bedoeling was. Te vrezen valt van niet.

 

> http://www.e-tcetera.be/piet-arfeuille-lenz